Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft de klacht van drie Nederlandse internetaanbieders tegen de Raad van de Europese Unie verworpen. De partijen maakten bezwaar tegen de in 2022 opgelegde verplichte blokkade van de doorgifte van Russische zenders en gelieerde sociale media en websites. Het Persvrijheidsfonds steunde deze procedure moreel en financieel, als partner van de Freedom of Information Coalition (FOIC).
De coalitie verzet zich tegen de sancties omdat deze te breed, ondoorzichtig en ineffectief zouden zijn, en censuur vanuit de overheid impliceren.
Hoewel de coalitie de strijd tegen Russische desinformatie en informatieoorlogvoering volledig ondersteunen, benadrukken zij dat de EU deze strijd niet mag voeren ten koste van de Europese vrijheden die de sancties juist moeten beschermen. Volgens hen zijn de maatregelen overhaast en zonder onafhankelijke juridische toetsing doorgevoerd, wat de informatievrijheid – een pijler van de democratie – ondermijnt.
Het Gerecht van de EU heeft bepaald dat de EU-sancties tegen Russische media rechtmatig zijn. De Raad had volgens het Gerecht de bevoegdheid om de restrictieve maatregelen (waaronder een verbod op doorgifte van door de Russische staat gecontroleerde media) vast te stellen. Volgens de rechter zijn de maatregelen noodzakelijk en proportioneel om desinformatie en destabilisatie na de Russische invasie in Oekraïne te bestrijden.
De coalitie is teleurgesteld dat het Gerecht de Russische agressie als rechtvaardiging ziet voor een vergaande en disproportionele beperking van de fundamentele rechten die in de EU gelden, en vindt dat veel van haar argumenten onvoldoende zijn meegewogen.
Het FOIC beraadt zich nog op een mogelijk hoger beroep.
Het bestuur van het Persvrijheidsfonds is teleurgesteld in deze uitspraak. “We hebben deze procedure ondersteund om een uitspraak van de rechter te krijgen of de overheid zo’n verstrekkend verbod op zenders en sites kan afkondigen, in het licht van art. 10 EVRM.
Alhoewel het Gerecht het verbod in stand laat, achten wij het van groot belang dat de rechter de door de Europese ministers gehanteerde argumentatie hiervoor heeft getoetst en de zaak inhoudelijk heeft beoordeeld.”
Het bestuur acht het betreurenswaardig dat het Gerecht “een wel erg ruime opvatting hanteert om een algemeen verbod op het doorgeven van zenders te legitimeren.’ Dat zou de Raad in de toekomst in onze optiek een erg ruim mandaat geven om in de toekomst ook andere zenders of uitingen te verbieden uit andere landen waar oorlog gevoerd wordt. Dat lijkt ons een verontrustend gegeven, dat de toegang tot informatie verstrekkend kan beperken.”
“Desinformatie moet bestreden worden, maar dat moet met middelen, die passen in een democratische rechtstaat. Een voorafgaand verbod van een complete zender of site opgelegd door de overheid blijft wat ons betreft hiervoor geen passend middel.”